Mijn opa had een hobby. Hij maakte filmpjes. Hij was begin jaren zeventig de trotse bezitter van een camera waarmee hij 8mm-filmpjes kon maken. Van elk uitstapje dat hij ooit met mijn oma maakte, maakte hij meterslange films, die opgerold in zo’n mooi glimmend blik lagen te wachten tot er visite kwam. Dan werd de projector geïnstalleerd, het scherm uit zijn metalen koker gerold, en werd het bezoek urenlang getrakteerd op stomme – dat wil uiteraard zeggen: geluidloze – films waarop mijn oma tegen abrupt wisselende achtergronden schokkerig zwaaide naar de kijker. Er waren filmpjes van mijn oma in de bergen, van mijn oma bij een waterval, en van mijn oma in de eindeloze pampa’s. Een tweede hoofdrol was weggelegd voor de auto van mijn opa, een crèmekleurige peugeot 204 met een chromen randje onder de portiergrepen. Die stond er ook vrijwel altijd op. Een héél enkele keer kwam mijn opa zelf in beeld. Dat waren de zeldzame momenten waarop hij de camera uit handen gaf aan mijn oma. Hij stond dan de eerste paar seconden quasi nonchalant te poseren, meestal bij zijn auto, met een mooi landschap op de achtergrond. Maar al snel liet hij zijn pose varen en begon hij druk regieaanwijzingen te gebaren, waarna het beeld scheef werd, ging schokken en vervolgens weer oversprong naar een beeld van mijn oma.
Die filmavonden bij mijn opa thuis waren een waar genoegen. Voor mijn opa althans.
Zolang de projector ratelde waande hij zich – als live voice-over – het middelpunt van de aandacht. En aangezien het licht tijdens de filmvertoning uit bleef, liet het bezoek hem in die waan. Mijn moeder vertelde me eens vol plaatsvervangende schaamte hoe tijdens een familieavond de gasten er één voor één in het donker tussenuit waren geknepen tot alleen zij overbleef om beleefdheidshalve de film af te zien.
Als mijn opa bij ons op bezoek kwam, nam hij niet altijd zijn filmprojector mee, want dat was een hoop gedoe. Maar geen nood: hij had ook een handzame diaprojector. Het scherm liet hij thuis, want wij hadden witte muren.
Deze jeugdherinneringen komen steeds boven als ik lees over het ‘exhibitionismex’ van de ‘facebook-generatie’
Als ik naar mijn facebook-pagina kijk, kan ik constateren dat de appel niet ver van de boom valt. Ook ik heb de onbedwingbare drang om al het moois in mijn leven (en dat is veul!) vast te leggen en te delen. ‘Kijk toch eens wat een prachtige kinderen ik heb gemaakt, wat een heerlijk huis ik heb gebouwd, wat een mooie vakantiebestemming ik heb gevonden!’ Ik geef het toe. Maar het fijne aan deze tijd is dat ik mensen niet hoef te gijzelen. Het staat mijn virtuele gasten vrij om ernaar te kijken of niet, en ik kan ongegeneerd beelden blijven publiceren, me koesterend in de aanname dat velen met me meegenieten.
Mijn opa zou facebook fantastisch hebben gevonden.
Hoe exhibitionistisch ben jij?
De échte vraag is natuurlijk: Is de “facebook-generatie” nu echt exhibitionistischer dan generaties hiervoor? of alleen maar op een ander podium?